Tuchtcollege: uitspraak NVKH NWP RCN VNT

UITSPRAAK TUCHTCOLLEGE NVKH NWP RCN VNT

inzake klacht van

mevrouw A te B hierna te noemen klaagster

tegen

mevrouw C  , lid Register Graniosacraal therapie Nederland, praktijk houdende te D. advocaat: E te F hierna te noemen verweerster.

We beperken ons tot het verloop van de procedure en de beoordeling.

Het verloop van de procedure

Bij het Tuchtcollege is een klaagschrift ingekomen d.d. 15 april 2014. Namens verweerster is een verweerschrift ingediend gedateerd 9 juni 2014. Bij schrijven van 26 mei 2014 heeft zich schriftelijk tot het college gewend, mevr. G, psychiater te H , hierna te noemen de psychiater. Bij schrijven van 9 juni 2014 is ingekomen een verklaring van I, psychiater te J. Van Prof. Dr.K, psychiater te L, is een schrijven ingekomen d.d. 20 mei 2014. Verder zijn ingekomen diverse e-mail wisselingen tussen mevr. G, klaagster, verweerster en de heer M, de vertrouwenspersoon van de RCN, alsmede een verslag van zijn hand.

Op 16 juni 2014 is door de voorzitter van het tuchtcollege in aanwezigheid van de secretaris, een vooronderzoek gehouden, waarbij klaagster en verweerster zijn gehoord. Het vooronderzoek is gesloten met verwijzing naar de zitting van het Tuchtcollege.

Bij schrijven van 9 september 2014, later door klaagster vervangen voor een schrijven van 24 september 2014, heeft het tuchtcollege een aanvulling op de klacht en een reactie op het verweerschrift met diverse bijlagen ontvangen. Namens verweerster is een nader verweerschrift ingediend op 29 september 2014.

De zitting van het Tuchtcollege is gehouden op 15 oktober 2014 te Amersfoort. Ter zitting waren aanwezig klaagster en verweerster en haar advocate, Mevr. G, psychiater is op uitnodiging van het Tuchtcollege, Mevr. H op verzoek van verweerster.

Ter zitting zijn nog enkele stukken ingebracht betreffende e-mail wisseling tussen psychiater G en verweerster. Klaagster heeft een pleitnotitie overgelegd.

Beoordeling

De verklaringen van de psychotherapeuten J. en K. zullen in algemene zin zonder twijfel juist zijn. Veiligheid in de behandelrelatie met patiënten met traumatische problematiek is van essentieel belang en het beëindigen van de therapeutische relatie dient niet louter per brief vorm gegeven te worden.

De opzegging was eenzijdig en zal ook als abrupt door klaagster ervaren zijn. De beslissing om de relatie werkelijk te verbreken werd door verweerster samen met haar vriendin mevrouw H op een zondag genomen en diezelfde dag uitgevoerd door middel van het e-mail bericht. Dat de opzegging voordien met klaagster zou zijn besproken of aangekondigd is niet gebleken.

Het college begrijpt dat verweerster zodanig in de psychologische gebondenheid aan cliënte verstrikt was geraakt, dat zij geen andere uitweg meer zag dan de relatie met klaagster te verbreken. Deze gevoelde psychologische noodzaak was niet van de een op de andere dag ontstaan. Kennelijk heeft verweerster in eerdere tijden het vastlopen van de situatie niet zien aankomen en/of het gevaar daarvoor niet voldoende onderkend.

Verweerster was op de hoogte van de schadelijke gevolgen van opzegging, althans begreep goed dat klaagster de verbreking niet zou kunnen accepteren, terug zou vallen naar eerder stadia van de ziekte en in die zin schade zou lijden. In de ideale situatie zou bij een opzegging van de behandelrelatie die onvermijdelijk lijkt een derde persoon zijn betrokken in een gesprek daarover, zoals K in zijn brief schrijft. Kennelijk heeft verweerster zich zodanig in een noodsituatie ervaren, dat ook dat niet meer als mogelijkheid werd gezien.

Dat verweerster niet gezorgd zou hebben voor adequate hulp, overdracht en doorverwijzing naar een andere hulpverlener, kan door het college niet bevestigd worden. Er was een andere hulpverlener; de psychiater G. De psychiater liet ook weten dat zij hulp zou bieden; (zie boven aangehaalde e-mail).

Zonder af te doen aan de gevolgen van de feitelijke handeling -de opzegging per e-mail -voor klaagster, meent het college dat de eventuele verwijtbaarheid van dit handelen niet zozeer schuilt in de opzegging zelf als wel in datgene wat aan het ontstaan van de door verweerster ervaren gevoel van nood is voorafgegaan.

Zoals ook psychiater G tijdens de zitting uiteenzette, dient de behandeling van patiënten als klaagster met een dergelijke zware psychopathologie, plaats te vinden in een multidisciplinaire setting die is toegerust voor dergelijke opvang. Niet overal in Nederland zijn c.q. waren hulpverleners voldoende toegerust om adequate behandeling te bieden. Daartoe zijn onder leiding van het toenmalige LCVT zogenaamde Top Referente Centra aangewezen. Dat waren de afdelingen van psychiatrische instellingen die zich met deze problematiek bezig houden. Lang niet altijd konden/kunnen patiënten direct in behandeling genomen worden. Kennelijk speelde dat ook bij klaagster. Klaagster bleef onder jarenlange behandeling van de psychiater en verweerster zonder dat ook op een later moment de mogelijkheid overwogen werd de behandeling voort te zetten of te laten voortzetten, althans in te bedden in de behandelomgeving van een dergelijk centrum. Wat daar ook van zij, de vraag of twee solitaire behandelaars in staat moeten worden geacht een dergelijke intensieve begeleiding op juiste wijze uit te voeren had naar de mening van het college in elk geval bij deze behandelaars moeten doordringen toen omstreeks april 2013 er tussen hen duidelijke onenigheid ontstond.

Beide therapeuten spreken in de diverse stukken over de gemoedstoestand, voorspelbaarheid of beschikbaarheid over en weer van therapeut en patiënt en de gevolgen voor het therapeutisch proces. Verweerster spreekt van projectieve identificatie. Kortweg kan men stellen dat het acteren van patiënt en therapeut over en weer reacties oproept die -hoe normaal ook binnen redelijke intermenselijke processen-als de grenzen daarvan door een therapeut niet worden gezien en ervaren, desastreuse gevolgen kunnen hebben. Gevolgen voor de patiënt, de therapie of de therapiestructuur, maar een en ander kan ook leiden tot volstrekte psychologische verwarring bij de therapeut die overdracht naar eigen psychologische gemoedstoestand niet meer kan onderscheiden.

Het college is van mening dat dit gevaar onvoldoende door verweerster (en psychiater) is onderkend. In elk geval had omstreeks april 2013 de alarmbel bij beide therapeuten moeten gaan luiden. De onenigheid die toen ontstond was volgens verweerster ingegeven door datgene wat klaagster over de psychiater zei, en volgens de psychiater omdat zij merkte dat haar therapeutisch optreden een verergering van de symptomen van de posttraumatische stoornis bij klaagster teweeg bracht.

Het acteren van klaagster, de oorzaken daarvan en de reacties daarop over en weer, moeten in aanzienlijke mate de therapeutische slagkracht van de samenwerkende hulpverleners beperkt hebben. De psychiater stelt dat zij zich terugtrok uit de trauma behandeling en enige afstand nam, maar kennelijk bleef zij de patiënte regelmatig zien. Zij bleef behandelend psychiater en het was onduidelijk wie nu welke invloed op de behandeling van klaagster had. Verweerster ging verder met behandelen; alleen en zonder therapeutisch overleg met een mede behandelaar. De contacten die zij in het kader van supervisie en het boek over de behandeling van klaagster met anderen had, werden met klaagster besproken. De rol die de heer N daarin vervulde, bleek uiteindelijk niet tot een bevredigende bijdrage te leiden of geleid te hebben, want verweerster schrijft aan klaagster dat zij met de supervisie van Van Woudenberg moet stoppen.

Dat overdracht naar andere behandelaars niet mogelijk zou zijn bij DIS patiënten, zoals de psychiater stelt, is naar de mening van het college in zo’n geval niet vol te houden. De schade die in deze voortgang en onenigheid aan het therapeutisch proces en aan de patiënt berokkend kan worden, laat zich wel degelijk afwegen tegen een goed begeleide overdracht aan andere behandelaars.

De psychiater zag in januari 2014, nadat zij met verweerster gesproken had en e-mail berichten had uitgewisseld, kennelijk geen bezwaar in het opzeggen van de behandelrelatie door verweerster. Zij beweert in haar klacht aan het RCN en later in haar schriftelijke ondersteuning van de klacht bij het Tuchtcollege dat zij tevoren niet op de hoogte was van de opzegging. Dat mag op zichzelf misschien zo zijn, maar uit het mailverkeer blijkt dat zij de onhoudbaarheid van de situatie moet hebben gezien. Zij adviseerde ook afstand te nemen. Nadat zij van de opzegging op 26 januari 2014 kennis had genomen ondersteunde zij het handelen van verweerster. Het is dan ook verbazingwekkend dat zij zelf een klacht indiende over het handelen van verweerster, ‘nadat zij de effecten bij patiënte had waargenomen’. Het college heeft in de e-mails die tussen verweerster en de psychiater werden uitgewisseld op 17 februari 2014, gelezen dat de toon van de conversatie zich wijzigde. Klaagster had kennelijk eerder een doos of kist aan verweerster gegeven, waarin geschriften zaten, opgesteld door klaagster, evenwel toegeschreven aan een van de persoonlijkheden ingegeven door haar dissociatieve identiteitsstoornis. Klaagster wilde deze ‘kist van Daniel’ terug hebben. In plaats dat klaagster direct aan verweerster vroeg om deze kist of doos te retourneren, deed de psychiater dat voor haar. Vervolgens verbonden de beide therapeuten een negatieve betekenis aan hun wederzijdse e-mails rond deze teruggave. Dergelijke dwingendheid vervat in het acteren van klaagster -voortkomend uit pathologie of het complex aan psychologische fenomenen bij de behandelrelatie-lijkt gedurende de hele behandelperiode telkens bij beide therapeuten een vruchtbare bodem gevonden te hebben. De voortzetting daarvan lijkt zich ook te uiten in de zelfstandige klacht en de ‘getuigenverklaring’ van de psychiater.

Het college meent dat de rol van de therapeuten in de gebeurtenissen, het verloop van de relaties tussen de diverse betrokkenen en de ingewikkelde psychologische overdrachtsfenomenen die inherent zijn aan de behandeling van trauma gerelateerde ernstige psychiatrische stoornissen, onvoldoende zijn onderkend.

Hoe ook verweerster de sturing en correctie van de psychiater, die volgens het college als hoofdbehandelaar kan worden aangemerkt, ontbeerde, verweerster had zelfstandig bij het begin van de behandelrelatie en in ieder geval omstreeks april 2013 moeten inzien, dat het risico om de grenzen van de therapeutische relatie te overschrijden te groot was om deze behandeling uit te voeren en zeker om alleen voort te zetten. Het vastlopen in psychologische zin van verweerster en de daarmee gepaard gaande opzegging lijken, achteraf gezien, vanaf april 2013 onvermijdelijk te zijn geweest.

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij niet eerder een vergelijkbare DIS patiënt in behandeling heeft gehad en dat zij dat in de toekomst ook niet meer zal doen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de klacht voor wat betreft het eerste onderdeel gegrond is. Gezien het verloop van de gebeurtenissen die tot de klacht hebben geleid, de rollen die alle betrokkenen in deze gebeurtenissen hebben gespeeld en de mate van verwijtbaarheid acht het college na te melden maatregel passend.

Het verzoek van klaagster verweerster te verplichten een gesprek met klaagster aan te gaan, onder begeleiding van een mediator, waarin zij alsnog dient te voldoen aan het gestelde in onderdeel 6 van Reglement ethiek en beroepscode craniosacraal therapeut van het RCN kan niet worden ingewilligd. Het college heeft geen rechtsmacht om een dergelijke verplichting op te leggen. Een eindbeslissing van het Tuchtcollege kan uitsluitend een inhoud hebben zoals gesteld in artikel 40 van het tuchtreglement RCN NVKH NWP en VNT.

De beslissing

Het college verklaart de klacht gegrond. Het college legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op.

6 november 2014

 

Een hele dubieuze uitspraak vanwege het oordeel over de patient en de psychiater. Voor een uitgebreidere beooordeling zie:

http://www.platform-integratieve-gezondheidzorg.nl/conclusie-uitspraak-tuchtcollege/