OMICG Algemene informatie

OMICG Algemene informatie

OMICG, Onafhankelijk  Meldpunt  Integratieve en Complementaire gezondheidszorg is een initiatief  opgezet  voor consumenten, verzekeraars, huisartsen en specialisten om binnen het enorme aanbod van alternatieve behandelaars een betrouwbare informatiebron te genereren.

Het uitgangspunt van het OMICG is dat consumenten eigen keuzes mogen maken. Ook al valt die keuze op een behandeling die niet “bewezen” is.  De factor “gehoord en gezien worden” is niet onbelangrijk voor het welbevinden van de consument. Ook het bereiken van een toestand van totale ontspanning is heilzaam. Al valt die heilzaamheid niet in meetbare parameters vast te stellen.

Of de maatschappij hiervoor moet betalen blijft buiten ons werkterrein. Al neemt discussie hierover wel degelijk toe als gevolg van de verregaande bezuinigingen in de gezondheidszorg.

Ook ziektekostenverzekeraars hebben zich gemengd in de discussie. In de onoverzichtelijke wirwar van opleidingseisen, bij- en na-scholingseisen, lidmaatschapsvoorwaarden van de beroepsverenigingen, accreditatie-eisen die door de verschillende beroepsgroepen van alternatieve geneeswijzen zelf gehanteerd worden zijn zij gekomen met een toevoegende eis die ingaat op 1 januari 2017. Alternatieve behandelaars die in aanmerking willen komen voor vergoeding door vijf grote zorgverzekeraars, moeten beschikken over medische en psychosociale basiskennis op hbo-niveau.

Daarnaast moeten zij op minstens één van deze twee gebieden beschikken over uitgebreidere kennis, zo stellen Achmea, Coöperatie VGZ, CZ, Menzis en ONVZ Zorgverzekeraar in een gezamenlijk persbericht. De vijf hebben PLATO (Platform Onderwijs, Opleiding en Organisatie) van de Universiteit Leiden opdracht gegeven om gedetailleerde opleidingseisen op te stellen. Het CPION (Centrum Post Initieel Onderwijs Nederland) gaat de basisopleidingen in de alternatieve zorg aan deze opleidingseisen toetsen.

De door PLATO geformuleerde eindtermen – zo staat in een document van het Leidse instituut – moeten ertoe bijdragen dat er voor alle beroepsgroepen in de complementaire zorg ‘een eenduidig minimumniveau aan psychosociale en medische basiskennis wordt vastgesteld’. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moeten de zorgverleners beschikken ‘over een diploma of certificaat van een relevante beroepsgerichte, aanvullende opleiding in de alternatieve zorg en beschikken over psychosociale en/of medische basiskennis op hbo-niveau. Bovendien moeten zorgverleners lid zijn van een koepelorganisatie of beroepsvereniging die erkend is door de zorgverzekeraar(s).’

Deze maatregel stuit op veel weerstand. Er is uiteraard het nodige op aan te merken. Dat het initiatief van zorgverzekeraars afkomt is mogelijk niet het meest wenselijk maar toch is er veel te zeggen voor het ontwikkelen van een  standaard om inzichtelijk te maken wat het niveau van een alternatief genezer is.

Het komt helaas steeds meer voor dat therapeuten die zichzelf hebben opgeleid later een door zichzelf gecertificeerd therapeut en docent worden. Die zelf cursussen ontwikkelen, zichzelf scholen of laten scholen door collega’s die zichzelf hebben gecertificeerd.

En dan kan het zomaar zijn dat vele therapeuten een bijscholing volgen van een paar weken om zichzelf daarna als een gekwalificeerd docent te presenteren ten aanzien van het geleerde. En met deze hele smalle ontoereikende bagage weer collega’s op te leiden. Deze ontwikkeling komen we veelvuldig tegen in de alternatieve wereld met enkele  voorbeelden waarbij het is misgegaan. De gevallen die ons bereiken hebben tot nu toe niet geleid tot enige verandering of lering aan de kant van de therapeut of hun beroepsvereniging.

Het OMICG beoordeelt alternatieve therapieën die door de meeste ziektekostenverzekeraars voor vergoeding in aanmerking op de volgende punten:

Opleiding, ECT’S , accreditatie, claims, geneeskundige claims. wetenschappelijke claims, koppeling BIG registratie, klacht en tuchtreglement, eisen beroepsgroep, klacht en tuchtregeling, het al of niet verstrekken van misleidende informatie, beroepsverenigingen, opleidingen, reclame en promotie.